Recente ontwikkelingen
1. IFRS 18 Presentatie en toelichting in de jaarrekening
Toe te passen vanaf 1 januari 2027
Achtergrond
Het gebruik door ondernemingen van non IFRS alternative performance indicatoren in persberichten en andere vormen van communicatie met de beleggers is eigenlijk al een lange tijd een doorn in het oog van de IASB. Het gaat hierom performance indicatoren die afgeleid zijn van IFRS-resultaten. Analisten gebruiken deze alternative performance indicatoren voor het vergelijken van de performance van bedrijven en het maken van prognoses van resultaten en vermogen. Het gaat vaak om performance indicatoren die zijn opgeschoond voor eenmalige baten en lasten. Door het gebruik van deze alternatieve performance indicatoren dreigt IFRS zijn relevantie te verliezen. Deze alternatieve performance indicatoren voldoen echter aan een informatiebehoefte van de beleggers omdat beleggers hiermee inzicht krijgen in hoe het management haar eigen performance beoordeelt en hoe de onderneming wordt aangestuurd. Maar er bestaat ook bij beleggers bezorgdheid over de betrouwbaarheid van de gerapporteerde alternative performance indicatoren. Voldoende reden voor de IASB om te komen met deze nieuwe verslaggevingsstandaard.
Belangrijke veranderingen ten opzichte van IAS 1 zijn:
- In de toelichting moet een aparte paragraaf worden over de management performance indicatoren (MPM’s).
MPM’s zijn performance indicatoren die worden gebruikt in de communicatie naar de beleggers, zoals bijvoorbeeld in het persbericht maar die niet zijn opgenomen in de jaarrekening maar wel van een subtotaal kan worden afgeleid. Het gaat hierom performance indicatoren die specifiek betrekking op de performance van de onderneming op een bepaald gebied maar die niet vergelijkbaar zijn met de performance indicatoren van andere ondernemingen.
Voor elke MPM moet de volgende informatie worden verstrekt:
(i) een beschrijving van de MPM waarbij het management aangeeft waarom deze MPM nuttig is om inzicht te kregen in de financiële performance van de onderneming;
(ii) een beschrijving van de wijze waarop de MPM wordt berekend;
(iii) een aansluiting van de MPM met de meest relevante subtotaal in de IFRS jaarrekening, waarbij ook apart wordt weergegeven het effect van belastingen en een minderheidsaandeel;
vi) een beschrijving de wijze waarop het belasting effect is berekend en
(v) een toelichting op wijzingen in de berekening
- IFRS 18 stelt verplicht de rubricering in de volgende categorieën:
(i) Het operationeel resultaat waarin de verplichting is om hier alle kosten te verantwoorden die niet hieronder worden verantwoord
(ii) Het beleggingsresultaat
(iii) De financieringskosten
(iv) de belasting lasten en opbrengsten
(v) Opbrengsten en lasten van activiteiten die worden afgestoten
- Subtotalen moeten er worden opgenomen voor operating profit en profit before financing and income taxes.
- Nieuwe voorschriften voor de samenvoeging en uitsplitsing van posten in de jaarrekening en in de toelichting. Het wordt, kortgezegd, onder IFRS 18 lastiger om belangrijke informatie onbenoemd te laten of zonder toelichting samen te voegen in een categorie overig.
2. IFRS 19 Vereenvoudiging van de rapportering van dochterbedrijven waarbij IFRS wordt toegepast
Toe te passen vanaf 1 januari 2027
Achtergrond
Wanneer een moedermaatschappij IFRS toepast dan moet voor de opname in de geconsolideerde jaarrekening de dochteronderneming rapporteren aan de moeder in overeenstemming met IFRS. IFRS biedt deze dochternemingen de mogelijkheid om SME toe te passen waarbij de toelichting minder uitgebreid is dan bij IFRS. Echter de grondslagen voor opname en waardering onder IFRS en SME zijn niet altijd hetzelfde. Hierdoor worden bedrijven gedwongen om twee verschillende verslaggevingsgrondslagen toe te passen. Met IFRS 19 kunnen deze bedrijven IFRS toepassen waarbij de toelichting minder uitgebreid is.
Voorwaarden
Om IFRS 19 te kunnen toepassen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- het moet gaan om een dochteronderneming;
- het gaat niet om een onderneming van openbaar belang (OOB); en
- de ultieme moederonderneming of een tussen holding stelt een IFRS-jaarrekening op die openbaar wordt gemaakt
Een onderneming van openbaar belang is een onderneming waarvan aandelen of schuldpapier wordt verhandeld op een officiële beurs of bedrijven die het plan hebben om zulke instrumenten uit te geven, of een onderneming die activa beheert voor een grote groep van derden als onderdeel van z’n primaire activiteiten, zoals kredietinstellingen, verzekeringsmaatschappijen, banken en beleggingsmaatschappijen etc.
De bedrijven, die voldaan aan de bovenstaande criteria zijn niet verplicht om IFRS 19 toe te passen. IFRS 19 heeft alleen betrekking op de toelichting. De ander IFRS-standaarden met betrekking tot opname en waardering blijven nog steeds van toepassing. Bovendien moet de onderneming overwegen om extra informatie te geven indien de toelichting die vereist is volgen IFRS 19 ertoe leidt dat de gebruikers van de jaarrekening geen goed beeld krijgen van transacties en gebeurtenissen en hun effect op de balans en winst en verliesrekening
.
3. IFRS 9 amendement classificatie en waardering en toelichtingsvereisten
Dit is een samenvatting van het uitgebreide artikel dat u aantreft bij de verdieping
Per 1 januari 2026 treden amendementen op IFRS 9 in werking die voortkomen uit de post-implementation review. Vervroegde toepassing is toegestaan. De wijzigingen worden retrospectief toegepast zonder herziening van vergelijkende cijfers; het cumulatieve effect wordt verwerkt in de openingsbalans. De amendementen raken zowel classificatie en waardering als toelichtingsvereisten.
1. Elektronische betalingen
IFRS 9 vereist dat financiële verplichtingen niet meer in de balans worden opgenomen wanneer de contractuele verplichting is vervallen, en dat liquide middelen pas worden opgenomen wanneer zij daadwerkelijk zijn ontvangen. In de praktijk bleek het exact bepalen van het afwikkelingsmoment bij elektronische betalingen complex en kostbaar.
De IASB heeft het conceptuele raamwerk niet aangepast, maar introduceert een praktische uitzondering: bij gebruik van een elektronisch betalingssysteem mag een financiële verplichting vóór de afwikkelingsdatum worden afgeboekt, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- de betaling kan niet meer worden gestopt of teruggedraaid;
- de entiteit heeft geen beschikking meer over de liquide middelen;
- het afwikkelingsrisico is gering.
Van een gering afwikkelingsrisico is sprake wanneer een standaard administratief proces wordt gevolgd en de periode tussen betalingsopdracht en uitvoering kort is. Indien de afwikkeling afhankelijk is van de kredietwaardigheid van de entiteit, is het risico niet gering.
Deze keuze moet consistent worden toegepast op alle transacties die via hetzelfde betalingssysteem lopen. De regels voor het afboeken van financiële activa blijven ongewijzigd.
2. Verduidelijkingen rond de SPPI-test
De amendementen verduidelijken de beoordeling of contractuele kasstromen kwalificeren als “solely payments of principal and interest” (SPPI), een kernvoorwaarde voor waardering tegen geamortiseerde kostprijs of FVOCI.
2.1 Financiële instrumenten met ESG-kenmerken
De IASB introduceert geen aparte uitzondering voor ESG-leningen, maar verduidelijkt wanneer duurzaamheidsgerelateerde kenmerken verenigbaar zijn met een basisleningsovereenkomst.
De focus ligt op:
- het type vergoeding (niet de hoogte daarvan); en
- de vraag of contractuele kasstroomvariaties consistent zijn met kredietrisico en tijdswaarde van geld.
Belangrijke verduidelijkingen:
- Renteaanpassingen die bestaan uit een vaste opslag of korting (bijvoorbeeld enkele basispunten) bij het behalen van ESG-doelstellingen, zoals CO₂-reductie, zijn in beginsel SPPI-conform.
- Kasstromen die zijn gekoppeld aan externe variabelen zoals grondstoffenprijzen, aandelenkoersen of CO₂-prijsindices zijn niet consistent met een basisleningsovereenkomst.
- Voorwaardelijke kasstromen zijn alleen SPPI-conform indien:
- de wijziging proportioneel en richting-consistent is met kredietrisico;
- alle mogelijke uitkomsten worden meegenomen (tenzij niet realistisch);
- timing en variabiliteit contractueel zijn vastgelegd;
- de voorwaardelijke gebeurtenis specifiek is voor de kredietnemer;
- de kasstromen geen belegging in het rendement van activa of de kredietnemer representeren.
2.2 Non-recourse leningen
Bij non-recourse leningen is het verhaal van de kredietgever beperkt tot de kasstromen van specifieke activa. Dit verschilt wezenlijk van een lening met onderpand, waarbij ook verhaal op de kredietnemer mogelijk is.
IFRS 9 vereist bij non-recourse leningen een look-through analyse. De amendementen verduidelijken dat SPPI-conformiteit afhangt van:
- of de kasstromen uit de onderliggende activa naar verwachting voldoende zijn om rente en aflossing te voldoen; en
- of eventuele tekorten worden gedragen door eigen vermogen of achtergestelde financiering.
Indien de kredietgever feitelijk blootstaat aan het rendementsrisico van de activa, is geen sprake van een basisleningsovereenkomst. Is er echter voldoende eigen vermogen of een garantie van een derde partij, dan kan de lening alsnog SPPI-conform zijn.
2.3 Contractually Linked Instruments (CLI’s)
CLI’s zijn instrumenten binnen gestructureerde financieringen waarbij kasstromen via een waterfall-structuur over verschillende tranches worden verdeeld. Verliezen worden disproportioneel toegerekend, meestal eerst aan de risicovollere tranches.
Waardering tegen geamortiseerde kostprijs is mogelijk indien, op basis van een look-through analyse:
- de kasstromen van de tranche zelf SPPI-conform zijn;
- de onderliggende pool uitsluitend bestaat uit:
- SPPI-conforme instrumenten;
- instrumenten die kasstroomvariabiliteit beperken (zoals caps);
- instrumenten die kasstromen aligneren qua rentevorm, valuta of looptijd;
- het kredietrisico van de tranche niet hoger is dan dat van de onderliggende pool.
De amendementen verduidelijken verder:
- wat CLI’s onderscheidt van andere non-recourse structuren (met name de waterfall);
- welke structuren expliciet geen CLI zijn (bijvoorbeeld senior/junior secured lending bij één debiteur);
- dat ook activa buiten de reikwijdte van IFRS 9 (zoals leasevorderingen) onderdeel kunnen zijn van een CLI-pool, mits hun kasstromen SPPI-achtig zijn.
3. Uitgebreidere toelichtingsvereisten
3.1 Voorwaardelijke kasstromen
Voor financiële instrumenten tegen geamortiseerde kostprijs of FVOCI met voorwaardelijke kasstromen moet worden toegelicht:
- de aard van de voorwaardelijke gebeurtenis;
- de bandbreedte van mogelijke kasstroomwijzigingen;
- de boekwaarde van betrokken activa en verplichtingen.
De toelichting moet voldoende detail bevatten om gebruikers inzicht te geven in het effect op timing en omvang van kasstromen.
3.2 Instrumenten gewaardeerd tegen FVOCI
Naast bestaande IFRS 7-vereisten moet aanvullend worden toegelicht:
- het onderscheid tussen waardeveranderingen van beleggingen die nog op de balans staan en beleggingen die zijn verkocht.
Dit vergroot de transparantie over gerealiseerde en niet-gerealiseerde waardeveranderingen binnen het eigen vermogen.
4. Amendement IAS 7 en IFRS 7, Kasstroomoverzicht en IFRS 7 - Financiële instrumenten:
Toe te passen vanaf 1 januari 2024
Achtergrond
IFRS 7 vereist een toelichting, zodat de gebruikers de aard van de risico’s, inclusief liquiditeitsrisico’s kunnen beoordelen die voortkomen uit het aanhouden van financiële instrumenten. Liquiditeitsrisico als gevolg van leverancierskrediet ontstaat als deze vorm van financiering wordt verstrekt door een partij en niet door meerdere leveranciers. In dit soort structuren moet de onderneming zijn schulden voldoen via een financiële instelling. Hierdoor krijgt de onderneming een kortere of langere betalingstermijntermijn. De wijziging in IFRS 7 heeft als doel om de gebruiker van meer informatie te geven over het karakter van de leveranciersverplichtingen en de impact die deze vorm van financiering heeft op de verplichtingen in de balans, kasstroom en de mate waarin de onderneming hierdoor wordt blootgesteld aan liquiditeitsrisico’s.
Wijziging
Het amendement vereist dat aanvullende informatie wordt verstrekt over de impact die het leverancierskrediet heeft op de verplichtingen in de balans en op de kasstromen:
- de aard en de voorwaarden van het leverancierskrediet
- Aan het begin en einde van de rapporteringsperiode:
- de boekwaarde van het leverancierskrediet en de wijze waarop deze verplichting is opgenomen in de balans.
- de boekwaarde van de financiële verplichting en op welke posten in de balans de verstrekkers van het leverancierskrediet de verplichtingen hebben afgewikkeld.
- de vervaldatum van schulden aan kredietverstrekkers en handelsschulden die niet onderdeel zijn van het bovenstaande leverancierskrediet.
- De aard en het effect van non cash veranderingen in de boekwaarde van het leverancierskrediet dat ervoor zorgt dat de boekwaarde hiervan niet goed meer vergelijkbaar zijn.
In zoverre dat de aard en de voorwaarden van de verschillende vormen van leverancierskrediet vergelijkbaar is kan deze informatie op geaggregeerd niveau worden toegelicht. Als dit niet het geval is dan is toelichting op het niveau van het individueel leverancierskrediet vereist.
5. Amendement IAS 1- presentatie in de jaarrekening:
Rubricering van de verplichtingen als kortlopend of langlopend en langlopend met convenanten.
Toe te passen vanaf 1 januari 2024
IAS 1 Presentatie van de jaarrekening bevat algemene eisen over de inrichting van de jaarrekening. De standaard omvat eisen met betrekking tot de rubricering van verplichtingen als kortlopend of langlopend. De rubricering van een verplichting als kortlopend of langlopend biedt waardevolle informatie aan beleggers omdat hiermee zichtbaar wordt welke verplichtingen binnen 12 maanden na de rapporteringsperiode moeten worden afgewikkeld. IAS 1 vereist dat een onderneming een verplichting alleen als langlopend classificeert als de onderneming het recht heeft om de afwikkeling van de verplichting minstens 12 maanden na de het einde van de rapporteringsperiode uit te stellen (het recht om de afwikkeling uit te stellen). Zonder dit recht zou de onderneming mogelijk gedwongen kunnen worden om de verplichting binnen 12 maanden na het einde van de rapporteringsperiode terug te betalen.
Wijziging
Volgens IAS 69(d) moet een onderneming een verplichting als kortlopend rubriceren wanneer de onderneming op het einde van de rapporteringsperiode niet het recht heeft om de afwikkeling van de verplichting minstens twaalf maanden na het einde van de rapporteringsperiode uit te stellen. Anders moet de entiteit de verplichting als langlopend classificeren. IAS72B geeft verdere richtlijnen over hoe deze eis moet worden toegepast wanneer een onderneming moet voldoen aan convenanten die opgenomen zijn in een leningsovereenkomst.
- Convenanten die vóór of op het einde van de rapporteringsperiode bestaan, beïnvloeden de classificatie als kortlopend of langlopend. Toekomstige convenanten, die van toepassing zijn na het einde van de rapporteringsperiode beïnvloeden de classificatie kort of lang niet.
- De rubricering in korte termijn of lange termijn wordt niet beïnvloed door de intenties van management en of het waarschijnlijk is dat de aflossing wordt uitgesteld tot 12 maanden of later.
- Als het recht om de aflossing van een lening, die als langlopend is verantwoord, afhankelijk is van het kunnen voldoen aan convenanten dan dient dit te worden toegelicht. Indien er feiten of omstandigheden zijn die aangeven dat een onderneming moeite heeft om aan dergelijke convenanten te voldoen, dan moeten die feiten omstandigheden worden toegelicht. Verder moet worden toegelicht: de aard van de convenanten, wanneer aan deze convenanten moeten worden voldaan en de verplichtingen waar de convenanten betrekking op hebben.
- In het amendement is ook aangegeven dat leningen niet alleen kunnen worden afgelost met liquide middelen maar ook door overdracht van goederen en diensten. De rubricering kort of lang kan niet worden beïnvloed door het overdragen van eigen aandelen.
6. Amendement IFRS 16 leases
Leaseverplichting in een sale en lease back, gepubliceerd door de IASB in september 2022 van toepassing
Toe te passen van af 1 januari 2024
Achtergrond
In een sale lease back moet de verkoper/de lessee bepalen of het hier gaat om een verkoop, die conform IFRS 15, als omzet moet worden verantwoord. De transactie voldoet aan de criteria van een verkoop als de lessor/koper ‘control’ heeft verkregen over het actief. Als de verkoop hieraan voldoet dan moet dan moet de geactiveerde lease vordering (right of use assets) worden gewaardeerd tegen de boekwaarde van het verkochte actief, dat ter beschikking blijft van de lessee. De verkoper/de lessee verantwoordt een bate of een last in de winst en verliesrekening, dat betrekking heeft op het actief waarvan control is overgedragen aan de koper/lessor. Echter, in IFRS 16 wordt niet aangegeven hoe de verplichting wordt gewaardeerd, die ontstaat bij deze sale lease transactie.
Wijziging
- De wijziging van IFRS 16 vereist dat de leasebetalingen of herziene leasebetalingen op zo’n danige manier worden verwerkt dat in de winst verliesrekening geen bate of last wordt verantwoord met betrekking tot het gebruiksrecht van de activa. Dit wil niet zeggen dat er niet aan het einde van het gebruik een bate of last in de winst of verlies kan worden verantwoord:
De leaseverplichting wordt dan als volgt bepaald:
- De leaseverplichting wordt verhoogd door de wijziging van het verdisconteringseffect (gebruik makend van de impliciete rentevoet in de lease, of de incrementele rentevoet indien de impliciete rentevoet in de lease niet gemakkelijk kan worden bepaald).
- De leaseverplichting wordt verlaagd met leasetermijn zoals die bij het aangaan van de leaseovereenkomst is vastgesteld.
- In de winst en verliesrekening wordt een variabele lease betaling verantwoord indien er een verschil is tussen de lease betaling en de leaseverplichting, zoals die verantwoord is in de balans.
7. Definitie van materieel (wijzigingen in IAS 1 en IAS 8)
Ingangsdatum: 1 januari 2023
In oktober 2018 publiceerde de IASB-wijzigingen in IAS 1 Presentatie van de jaarrekening en IAS 8 Boekhouding Beleid, wijzigingen in schattingen en fouten.
In dit amendement wordt de definitie van materialiteit verder aangescherpt.
Oude definitie
Omissie of onjuistheden van posten de jaarrekening zijn materieel als zij individueel of samen met andere posten invloed zou kunnen hebben op economische beslissingen die gebruikers maken op basis van de jaarrekening
Nieuwe definitie
Informatie is een omissie of een onjuistheid of iets versluierend als het redelijkerwijs te verwachten is dat het beslissingen beïnvloedt die primaire gebruikers van de jaarrekening voor algemene doeleinden maken op basis van deze jaarrekening die informatie verstrekt over een specifieke rapporterende entiteit.
Opvallend is dat aan de definitie wordt toegevoegd het begrip versluierend. In paragraaf 30 A van IAS 1 wordt ook al gesteld dat het begrip van de jaarrekening niet verminderd mag worden door informatie te versluieren. Dit betekent dat bijvoorbeeld een belangrijke gebeurtenis na balansdatum een prominentere plaats in de jaarrekening moet krijgen dan een onbelangrijke toelichting.
De zinssnede “zou kunnen hebben” dat vrij ruim kan worden geïnterpreteerd wordt vervangen door redelijkerwijs te verwachten. Op zich is dit niet nieuw want het begrip redelijkerwijze te verwachten wordt ook teruggevonden paragraaf 7 van IAS 1 waarin wordt gesteld dat een entiteit moet in overweging nemen hoe gebruikers van informatie redelijkerwijs kunnen worden beïnvloed bij het maken van economische beslissingen.
De nieuwe definitie beperkt zicht tot alleen de primaire gebruikers van de jaarrekening dus die gebruikers die een bepaalde kennis hebben van jaarrekeningen.
De nieuwe definitie betekent niet een grote verandering maar een bestaande verplichting krijgt een prominentere plaats. Dit betekent dat opstellers van jaarrekening toch nog iets kritisch de jaarrekening moeten beoordelen op de volgende punten:
- Als de toelichting immaterieel is dan moet zij worden weggelaten. Andere toelichting die voor de gebruiker van de jaarrekening belangrijk is moet een prominente plaats krijgen in de jaarrekening.
- Balans posten in de jaarrekening moeten worden samengevoegd als zij niet materieel zijn terwijl andere items een meer prominente plaats moeten krijgen en ook afzonderlijk moeten worden gepresenteerd in de jaarrekening
- Vereenvoudigingen en praktische toepassing van IFRS-standaarden van immateriële balans posten kunnen makkelijker worden doorgevoerd
8. IFRS 3 Business Combinations: Definitie van een Business (amendement, ingangsdatum 1 januari 2020)
Wanneer een overname zich kwalificeert voor IFRS 3 dan worden de over genomen activa en passiva gewaardeerd tegen reële waarde en wordt het verschil tussen de reële waarde en de boek waarde verantwoord als goodwill. Een voorwaarde voor het kunnen toepassen van IFRS 3 Business combination is dat er moet worden vastgesteld dat er een “business” wordt overgenomen. In het IFRS 3 amendement wordt er een aangepast definitie gegeven van een business en wordt aangegeven hoe deze definitie moet worden toegepast.
Oude definitie
Een geïntegreerd geheel van activiteiten en activa die kan worden uitgevoerd en beheerd voor het verkrijgen rendement in de vorm van dividend, lagere kosten of andere economische voordelen rechtstreeks voor investeerders of andere eigenaren, leden of deelnemers.
Nieuwe definitie
Een geïntegreerd geheel van activiteiten en activa die kan worden beheerst met als doel het leveren van goederen en diensten aan klanten, het genereren van beleggingsinkomsten (zoals dividenden of rente) of het genereren van andere inkomsten uit gewone activiteiten.
In de nieuwe definitie wordt nu meer nadruk gelegd op het leveren van goederen en diensten en het verlagen van de kosten. Er is ook een voorbeeld toegevoegd voor het acquireren van immateriële activa, het verkrijgen van een portefeuille van leningen, het verkrijgen van een operationele entiteit en het bepalen van de reële waarde van de overgenomen activa.
9. Een nieuw richtlijn voor de waardering van verzekeringsverplichtingen en vorderingen IFRS 17
· Ingangsdatum: 1 januari 2023
In juni 2020 is de IFRS 17 richtlijn voor de waardering van verzekeringsverplichtingen definitief door de IASB vastgesteld. IFRS17 vereist dat de waarde van verzekeringsverplichtingen en activa worden gewaardeerd in de balans. Hiervoor moet voor elk groep van verzekeringscontracten over de gehele looptijd de te verwachten opbrengsten en kosten worden bepaald. Wanneer het contract
verliesgevend is wordt het verlies direct ten laste van het resultaat gebracht. De ongerealiseerde winst (de CSM) valt op basis van coverage units vrij ten gunste van het resultaat. In het artikel IFRS 17 Grote gevolgen voor de jaarrekening kunt u meer lezen over wat de invoering van IFRS 17 betekent voor de jaarrekening.